Uitgelicht

De kracht van voorkennis en levenservaring: informatieverwerking in het oudere brein

Het persbericht hieronder is geschreven door Ian Proctor, naar aanleiding van een Vidi-beurs toegekend aan Dr Geerligs.

Veroudering wordt geassocieerd met een verslechtering van het geheugen, aandacht en abstract redeneren. Toch zijn oudere mensen vaak degenen die de belangrijkste beslissingen nemen: denk aan Amerikaanse president Joe Biden (78 jaar oud) of Duitse kanselier Angela Merkel (67). Klopt ons beeld van veroudering eigenlijk wel? Dr. Linda Geerligs, universitair docent Kunstmatige Intelligentie bij Radboud Universiteit, onderzoekt de rol van kennis en levenservaring van ouderen in het verwerken van nieuwe informatie. Ze bestudeert de hersenmechanismen die ouderen in staat stellen te bouwen op hun voorkennis.

Geerligs zegt: ‘Er is een groot verschil tussen wat we in het dagelijks leven zien als mensen ouder worden en wat we vaak in wetenschappelijk onderzoek observeren.

‘Bij het uitvoeren van abstracte taken in het lab zien we dat mensen vanaf een jaar of 30 al achteruitgaan in cognitieve functies, zoals geheugen, aandacht, abstract redeneren en snelheid van informatieverwerking. Dit beeld, van veroudering als een proces van achteruitgang, leeft ook sterk in onze maatschappij.

‘Tegelijkertijd zien we dat ouderen in het dagelijks leven vaak tot op hoge leeftijd goed blijven functioneren, dat bijvoorbeeld hun werkprestaties meestal niet achteruitgaan en dat mensen nog heel goed in staat zijn om ingewikkelde taken uit te voeren.’

Dit is bijvoorbeeld zichtbaar als mensen gevraagd wordt prijzen van producten te onthouden die realistisch zijn (in lijn met bestaande kennis) of juist niet.

Bij het onthouden van realistische supermarktprijzen laten ouderen geen achteruitgang zien, terwijl dit wel het geval is wanneer ze onrealistische prijzen moeten onthouden.

Een hypothese over de hersenen is dat het een soort ‘voorspellingsmachine’ is, voortdurend bezig met het maken van prognoses over wat het in de toekomst zal waarnemen. Het doel is om het verschil tussen wat je dan werkelijk waarneemt en de verwachting die je hebt zo klein mogelijk te maken.

Bijvoorbeeld over het volgende woord in de zin tijdens het luisteren van een audioboek. Dat gebeurt deels op basis van de eerdere woorden in de zin en het verhaal, maar ook op basis van de enorme hoeveelheid zinnen die je eerder in je leven hebt gehoord.

Geerligs zegt: ‘Die theorie zegt ook dat naarmate je meer ervaring krijgt, je interne modellen van bepaalde situaties steeds wordt bijgesteld; het model wordt steeds preciezer, gedetailleerder, steeds beter.

‘Mijn hypothese is dat ouderen precieze interne modellen hebben en dat ze daardoor meer kunnen bouwen op de voorspellingen die ze maken en minder op de input die ze daadwerkelijk krijgen.

‘Als er iets in de omgeving is dat wat niet strookt met de modellen, verwacht ik dat dit een minder grote invloed heeft op een waarneming of beleving dan bij jongere mensen waarbij de interne modellen nog niet zo precies en gedetailleerd zijn.’  

Volgens Geerligs zijn er twee belangrijke toepassingen van de potentiële resultaten van het onderzoek.

Het verworven inzicht zou ten eerste nieuwe interventies kunnen helpen vormgeven voor ouderen, die hun ondersteunen in nog effectiever gebruik van hun voorkennis.

De andere is om het publieke beeld van veroudering bij te stellen door te laten zien hoe de accumulatie van voorkennis en levenservaring daar een voordeel van is.

Een filmavond in het brein

“Druk zo snel mogelijk op een toets zodra u de letter X ziet.”, “Probeer zo goed mogelijk deze lijst van 20 voorwerpen te onthouden.”, “Bepaal of deze letters wel of niet een woord vormen”. Dit zijn allemaal typische taken die proefpersonen moeten voltooien, als ze deelnemen aan een onderzoek over cognitieve vaardigheden. In een wetenschappelijk lab is het normaal om dit soort oefeningen tegen te komen, maar in ons dagelijks leven zal dat minder snel gebeuren.

Toch worden dit soort studies vaak gebruikt om conclusies te trekken over wat er met ons gebeurt als we ouder worden. Menig een kan zich terecht afvragen in hoeverre de resultaten van dit soort onderzoek nou op ons dagelijks leven van toepassing is. Wat gebeurt er in het ouder wordende brein als we een boek lezen, met vrienden kletsen of ’s avonds op de bank lekker een film kijken?

Brein activiteit tijdens film kijken

Het is gebleken dat films uiterst geschikt zijn om te bestuderen hoe het brein van jongeren en ouderen verschilt. Waarom? Wanneer mensen dezelfde film kijken lijkt hun breinactiviteit erg op elkaar. We spreken dan van een synchronisatie van hersenactiviteit. Best logisch eigenlijk, immers richten we onze aandacht op dezelfde gebeurtenissen, krijgen we dezelfde beelden te zien en voelen we vergelijkbare emoties wanneer de hoofdpersoon het ene avontuur na het andere meemaakt.

Aangezien al bekend is dat het brein met het ouder worden verandert, zouden we verwachten dat er tussen ouderen en jongeren een mindere mate van synchronisatie plaats vind. Als we beter naar die hersengebieden kijken die bij jongeren wel gesynchroniseerd zijn en bij ouderen niet (of andersom), kunnen we beter begrijpen hoe ons brein met de leeftijd veranderd. Daarnaast is het interessant om ernaar te kijken hoe de hersenactiviteit wel op elkaar lijkt. Tenslotte brengt ouder worden niet alleen maar verandering met zich mee.

Met deze gedachtegang voerden Linda Geerligs en haar collega’s een onderzoek uit naar wat nou in de hersenen gebeurd terwijl we een film kijken. Hiervoor werd de hersenactiviteit van zowel ouderen als jongeren gemeten terwijl ze in een fMRI scanner een fragment van de Alfred Hitchcock film te zien kregen.

Gelijkenissen en Veranderingen

Uit het onderzoek bleek dat er bij ouderen een hoop hersengebieden zijn die tijdens het film kijken met die van jongeren synchroniseerden. Deze hersengebieden zijn vooral betrokken bij het verwerken van taal, het begrijpen van sociale interacties en het aansturen van bewegingen. Het lijkt er dus op dat dit allemaal functies zijn die we ook met een oudere leeftijd net zo als vroeger kunnen uitvoeren. Dit resultaat komt overeen met de vindingen in andere studies die andere soorten taken gebruikten om leeftijds-gerelateerde verschillen in hersenen en gedrag te onderzoeken.

De hersengebieden van ouderen die daarentegen minder synchroniseerden met die van jongeren, waren meer betrokken bij het richten van aandacht, het functioneren van ons geheugen en het verband leggen tussen input uit de film en gebeurtenissen van het verleden. Dit wijst erop dat ouderen meer moeite hebben met taken die te maken hebben met deze functies. Dit vermoeden werd bevestigd door ouderen verschillende taken uit te laten voeren en te kijken hoe ze hierop presteerden. Hieruit bleek inderdaad dat ouderen die minder gesychorniseerde hersenactiviteit hadden in deze hersengebieden ook minder goed en snel de taken konden voltooien.

Maar dit was niet het hele verhaal. Het bleek namelijk ook dat er minder synchronisatie tussen ouderen en jongeren optrad, omdat bij ouderen de hersenactiviteit meer individueel en uniek was dan bij jongeren. De hersenactiviteit van ouderen verschilde dus niet alleen maar van die van jongeren, maar verschilde ook van die van andere ouderen. Dit duidt erop dat de manier waarop ouderen films of informatie verwerken gevormd wordt door de individuele ervaringen die elk mens door de jaren heen meemaakt. Net zoals elke film een uniek verhaal vertelt, doet ons brein dat ook.

Terug naar het lab

De resultaten uit dit onderzoek sluiten goed aan bij ander onderzoek over cognitieve veranderingen met het ouder worden. Voor in de toekomst blijft het belangrijk om onderzoek naar meer dagelijkse situaties te combineren met meer ‘traditionele’ studies. Ook al lijken taken zoals “Druk zo snel mogelijk op een toets zodra u de letter X ziet” ver weg van het echte leven, zijn ze handig om specifieke vaardigheden van mensen te meten. Bij het kijken van films zijn namelijk zo veel meer complexe processen betrokken, dat het lastig te zeggen is wat er nou precies wanneer in het brein gebeurd en waarom dit zo is. 

Door meer kleinschalige studies met meer bredere onderzoeken te combineren, kunnen we hopelijk op lange termijn een goed beeld krijgen wat het ouder worden nou concreet betekent. Zowel in het lab als in het ‘echte leven’.

Relevante Wetenschappelijke Bronnen:

Geerligs, L., & Campbell, K. L. (2018). Age-related differences in information processing during movie watching. Neurobiology of aging, 72, 106-120.


Wij zijn als dwergen, zittend op de schouders van reuzen

“Wetenschap”. Een woord dat op deze site vaak langs komt, maar wat betekent het nou precies? Als we de van Dale erbij pakken en de betekenis van het woord opzoeken, komen we deze definitie tegen: “het geheel van kennis en de manieren om die te verwerven”.
Wetenschap gaat dus niet alleen over feiten, maar ook over de methodiek waarmee we de feiten verkrijgen. Maar wat maakt een onderzoek aanpak nou wel of niet wetenschappelijk ? En wat is kenmerkend voor wetenschappelijk onderzoek naar het ouder worden? Deze week gaan we hiernaar kijken.

Van anekdotes naar onderzoek

“Ik sport 3 keer per week, daardoor blijf ik mentaal jong“, “Mijn moeder van 97 jaar kan nog net zo piano spelen als toen ze jong was”. Dit zijn allebei typische voorbeelden van anekdotes en ongetwijfeld heeft u wel eens uw vrienden en bekenden dit soort verhalen horen vertellen. Soms worden anekdotes ook als argumenten in een discussie gebruikt. Als iemand het erover heeft dat ouderen veel cognitief achteruitgaan, is het verhaal van een 97-jarige piano-speleter een goed tegenvoorbeeld om deze uitspraak te ontkrachten. Echter zijn dit soort uitspraken niet genoeg om wetenschappelijke conclusies uit te trekken. Weten we echt zeker dat de 97-jarige vrouw nog net zo goed piano speelt als vroeger? Of speelt ze nog steeds heel erg goed maar maakt toch wel een enkel foutje meer dan eerst? En wat betekent het feit dat zij nog zo goed functioneert voor andere mensen met oudere leeftijd? Kan iedereen van 97 jaar nog net zo goed hun hobby’s uitoefenen als toen ze jong waren?
Dit zijn allemaal vragen die laten zien dat anekdotes weinig zekerheid bieden over de conclusies die we uit ze trekken. Betekent dat dat ze helemaal nutteloos voor wetenschappelijk onderzoek zijn? Uiteraard niet! We kunnen uit dit soort verhalen inspiratie halen voor onderzoek. Pas als we weten wat we willen onderzoeken, kunnen we met de daadwerkelijke uitvoering beginnen.

Cross-sectioneel vs. longitudinaal onderzoek

Stel we willen weten of ouderen meer uitgekristalliseerde intelligentie bezitten dan jongeren. In ander woorden willen we erachter komen of onze kennis van feiten en vaardigheden met de leeftijd toeneemt.
Één manier om hierop antwoord te krijgen is om een groep jongeren met een groep ouderen te vergelijken. Beide groepen laten we een quiz doen en achteraf kunnen we vergelijken hoe ze hierop presteren. Dit soort onderzoek, waar we op een enkel tijdpunt een meting maken wordt cross-sectioneel onderzoek genoemd. Stel dat we observeren dat ouderen gemiddeld meer vragen op het quiz goed beantwoorden dan jongeren. Dan kan dit een aanwijzing zijn dat onze leeftijd inderdaad een positief effect op uitgekristalliseerde intelligentie heeft. Ook al klinkt dat niet verkeerd, we moeten wel voorzichtig zijn met dit soort conclusies. Weten we wel zeker dat de leeftijd en niet een andere factor cruciaal voor onze uitgekristalliseerde intelligentie is? Het zou bijvoorbeeld kunnen dat ouderen meer uitgekristalliseerde intelligentie hebben, omdat het curriculum nog anders was toen zij naar school gingen. In dit geval zou dus niet het feit dat ze ouder zijn maar hun schoolopleiding voorspellend zijn voor het aantal feiten dat ze kennen.
Als we meer zekerheid willen is het een goed idee om een zogenaamde longitudinaal onderzoek uit te voeren. Dit soort onderzoek duurt meestal meerdere jaren. We zouden dan een groep mensen bij elkaar kunnen zoeken en ze om de 5 jaar vragen een quiz te voltooien. Als we dat in totaal 20 jaar doen, kunnen we een beeld krijgen hoe hun prestatie op het quiz over de jaren heen verandert. Stel dat we opnieuw zien dat ouderen beter presteren dan jongeren, kunnen we met meer zekerheid zeggen dat het ouder worden positieve invloed op onze uitgekristalliseerde intelligentie heeft.
Ook al levert longitudinaal onderzoek meer betrouwbare resultaten op dan cross-sectioneel onderzoek, zitten er toch nadelen aan. Zo kan het een erg tijdrovend en duur proces zijn. Daarnaast gebeurt het vaak dat mensen halverwege het onderzoek uitvallen, doordat ze bijvoorbeeld gaan verhuizen of geen zin meer hebben om deel te nemen. Vanwege de verschillenden voor- en nadelen van de twee onderzoeksmethodes, is er geen duidelijke richtlijn over wanneer een wetenschapper voor welke methode moet kiezen.
Het kan meestal wel een goed idee zijn om eerst cross-sectioneel onderzoek uit te voeren om een eerste indruk van een probleem te krijgen. Vervolgens kunnen we de resultaten van dit onderzoek met een longitudinale studie uitbreiden.  

Kleine Stapjes

Als we onderzoek naar ouder worden doen willen we het liefst duizend vragen in een keer beantwoorden. We willen weten wat veranderingen het ouder worden met zich mee brengt, welke factoren hierbij een rol spelen, wat voor maatregelen preventief werken en of er nog uitzonderingen op de regels zijn. Gezien de complexiteit van al deze vragen, is het echter niet mogelijk om ze allemaal eenvoudig en snel te beantwoorden.
In plaats daarvan kijken we met onderzoek telkens naar een heel klein stukje van een grotere puzzel. Als we dit goed doen kunnen we vervolgens meer puzzelstukjes in elkaar zetten om zo weer nieuwe perspectieven op een onderwerp te verkrijgen. Dit is een proces van continu testen en opnieuw evalueren. Stel bijvoorbeeld we onderzoeken hoe het ouder worden ons geheugen beïnvloedt. Door een cross-sectioneel onderzoek waar we jongeren en ouderen een simpele geheugentest laten doen, zouden we misschien zien dat op die taak jongeren wat beter presteren dan ouderen. Maar dat is slechts een kant van het verhaal. Zouden we met een andere geheugentaak dezelfde resultaten verkrijgen? Hoe zit het met ons visueel of auditief geheugen? Maakt ons opleidingsniveau of onze culturele achtergrond een verschil voor deze resultaten? Pas door verder te blijven onderzoeken, kunnen we hierop antwoord krijgen.
U heeft het vast al door, wetenschap is geen magisch tovermiddel, maar een intensief en lang proces. Dit klinkt misschien frustrerend en moeizaam, maar gelukkig staan we er niet alleen voor. Elk onderzoek draagt weer een klein steentje aan de groeiende berg van kennis bij. Doordat deze berg groter en groter wordt, kunnen we met wetenschap steeds verder kijken, Zo zijn we dus net als dwergen, zittend op de schouders van reuzen.

Meer informatie:

Institute for Work & Health (2015). Cross-sectional vs. longitudinal studies. https://www.iwh.on.ca/what-researchers-mean-by/cross-sectional-vs-longitudinal-studies

Ouder worden – De ene persoon is de andere niet

Met de vergrijzing van de wereldpopulatie is er steeds meer interesse naar wat voor veranderingen het ouder worden met zich mee brengt. Met hun onderzoek proberen veel wetenschappers te ontdekken wat er gemiddeld genomen gebeurt als de leeftijd van mensen toeneemt. Bijvoorbeeld over hoe het leervermogen afneemt als mensen ouder worden. Dit is handig om een globaal beeld van het ouder worden te krijgen, maar er zijn natuurlijk ook belangrijke verschillen tussen mensen. Waar de ene persoon merkt dat zijn leervermogen achteruit is gegaan, merken anderen nauwelijks verschil en zullen er zelfs mensen zijn die beter kunnen leren dan eerst. 
Gelukkig zijn er ook studies die juist gericht zijn op het begrijpen van deze individuele verschillen tussen ouderen. 

Verschillen binnen groep

In elke leeftijdsgroep verschillen mensen van elkaar. Dat is niet verrassend en heeft waarschijnlijk niet veel uitleg nodig. Wat echter blijkt is dat in sommige groepen de  verschillen tussen mensen groter zijn dan in andere. Dit lijkt het geval te zijn voor oudere leeftijdsgroepen. In een onderzoek moesten jongere en oudere proefpersonen verschillende reactietijd taken uitvoeren, de ene moeilijker dan de andere. In een taak moesten ze bijvoorbeeld zo snel mogelijk op een knopje drukken zodra een bepaald voorwerp op een scherm getoond werd. In een iets moeilijkere taak, kregen de proefpersonen een reeks letters op een scherm te zien en moesten ze zo snel mogelijk beoordelen of de letters wel of niet een woord vormden (bijv. regen vs ralen). Uit het onderzoek bleek dat jongeren over het algemeen beter presteren op dit soort taken dan ouderen. Echter bleek ook dat de verschillen binnen de oudere groep groter waren. Waar dus de individuele prestaties binnen de jongeren proefpersonen niet enorm verschilden, was dat bij de oudere leeftijdsgroep wel het geval [3].
Het idee dat ouderen meer onderling verschillen dan jongeren, werd ook door ander onderzoek bevestigd. Wetenschappers uit Australië hebben bijvoorbeeld getest hoe de verschillenden leeftijdsgroepen presteren op taken omtrent geheugen, abstract redeneren en uitgekristalliseerde intelligentie. Hieruit bleek dat uitgekristalliseerde intelligentie het enige domein was waar jongeren evenveel variatie toonden als ouderen. Op de geheugen- en abstract redeneren taken waren er dus grotere onderling verschillen binnen de oudere leeftijdsgroep [2].

Brein-activiteit

Hoe komt het dat individuele verschillen met het ouderdom toenemen? En op welke manier verschilt het brein van een goed-presterende oudere op die van een minder goed presterende? Lijkt het beter-presterende brein gewoon meer op dat van een jonger persoon? Anders dan u misschien verwacht is dit niet per se het geval. 
In een studie van Amerikaanse wetenschappers, werden oudere deelnemers aan het onderzoek opgesplitst in een groep met goed geheugen (hoog presterend) en een groep met minder goed geheugen (laag presterend).  Vervolgens werd in beide groepen, en een groep jongeren, de hersenactiviteit gemeten terwijl ze geheugentaken uitvoerden in een PET scanner. Een PET scan is net zoals fMRI een methode om hersenactiviteit te meten. Ook hier wordt de hersenactiviteit bepaald door de bloedstroom van het brein bij te houden. Aansluitend werden de prestaties op de taken en de brein-scans van de jongeren met die van de laag- en hoog presterende ouderen vergeleken. Qua prestaties verschilden de jongeren en de hoog-presterende ouderen niet van elkaar. Beide groepen deden het even goed op de geheugentaak. Ze deden het wel allebei beter dan de laag-presterende ouderen [1]
Qua hersenactiviteit was bij de jongere deelnemers duidelijk te zien dat vooral de rechter prefrontale cortex (PFC) betrokken was. In dit soort gevallen, waar de ene hersenhelft meer actief is dan de andere spreken we over asymmetrische hersenactiviteit. Hetzelfde patroon werd bij de laag-presterende ouderen geobserveerd. Het feit dat zij op de taken minder goed presteerden dan de jongeren, duidt er echter op dat zij deze hersengebieden minder efficiënt konden gebruiken. Dit zou misschien kunnen komen door zwakkere verbindingen tussen de hersencellen in deze gebieden  [1].
De hersenactiviteit van de hoog-presterende ouderen verschilde het meest van beide andere  groepen. Hier was namelijk niet alleen maar de rechter, maar ook de linker PFC actief! Waar we dus bij de andere groepen asymmetrische patronen zagen, was het patroon van hersenactiviteit bij de hoog-presterende ouderen wel symmetrisch. Het zou dus kunnen dat de extra activiteit in de linker hersenhelft compenseerde voor het minder efficiënt functioneren van  de rechter PFC bij ouderen. Dit zou dus de verschillende prestaties binnen dezelfde leeftijdsgroep kunnen verklaren [1].

Dit onderzoek was het begin van een lange reeks onderzoeken naar dit fenomeen. Veel van deze onderzoeken laten zien dat oudere proefpersonen meer symmetrische hersenactiviteit hebben en meer activiteit hebben in de PFC dan jongeren. Maar niet alle studies vinden dat dit patroon samen gaat met een betere prestatie. In sommige onderzoeken werd zelfs laten zien dat extra activiteit in de PFC samen ging met slechtere prestaties op verschillende taken [4]. Het zou dus kunnen dat mensen met extra activiteit in dit hersengebied, dit hersengebied juist extra nodig hebben omdat de rest van hun hersenen meer aangetast is door ouderdom. Als de verhoogde PFC activiteit niet genoeg compensatie voor deze veranderingen biedt, zou dit dus tot slechtere prestaties kunnen leiden [4].
Het blijft dus lastig om zeker te weten welke rol de extra activiteit in het PFC speelt bij cognitieve veranderingen met het ouder worden,  vandaar dat dit nog steeds een belangrijke lijn van onderzoek is. Bij dit soort onderzoek kan het inzicht geven om niet alleen maar verschillen in hersenactiviteit te meten, maar ook te kijken hoe deze verschillen samen gaan met andere veranderingen in de hersenen.

Het belang van het individu 

Waarom is het zo belangrijk om de individuele verschillen tussen ouderen in kaart te brengen? Aan de ene kant is een beetje nuance nodig om een realistisch beeld van het ouder worden te schetsen. Zeggen dat iedereen met een hogere leeftijd achteruitgaat is simpelweg niet correct. Bovendien zorgen dit soort uitspraken voor onnodig negatieve stereotypes over oudere leeftijdsgroepen. Daarnaast kan het bestuderen van verschillen tussen mensen uiteindelijk helpen om te ontdekken of er trainingen zijn die ouderen kunnen helpen wanneer ze last krijgen van cognitieve klachten.  

Meer Informatie:

[1] Cabeza, R., Anderson, N. D., Locantore, J. K., & McIntosh, A. R. (2002). Aging gracefully: compensatory brain activity in high-performing older adults. Neuroimage17(3), 1394-1402.

[2] Christensen, H., Mackinnon, A. J., Korten, A. E., Jorm, A. F., Henderson, A. S., Jacomb, P., & Rodgers, B. (1999). An analysis of diversity in the cognitive performance of elderly community dwellers: Individual differences in change scores as a function of age. Psychology and Aging, 14(3), 365–379. https://doi.org/10.1037/0882-7974.14.3.365

[3] Hultsch, D. F., MacDonald, S. W., & Dixon, R. A. (2002). Variability in reaction time  performance of younger and older adults. The Journals of Gerontology Series B: Psychological Sciences and Social Sciences57(2), P101-P115.

[4] Stern, Y. (2009). Cognitive reserve. Neuropsychologia47(10), 2015-2028.

Waar een deur dichtgaat, gaat een raam open – Het Default Mode Netwerk

Er zijn een hoop mensen die met 80 of 90 jaar door het leven gaan zonder grote klachten van dementie te hebben. Toch zullen ook zij soms wat consequenties van het ouder worden opmerken. Misschien merkt u ook bij uzelf dat u een beetje vergeetachtiger bent of u meer moeite hebt met concentreren. Waar komen deze kleine klachten vandaan? En hoe komt het dat we desondanks ook op hogere leeftijd vaak nog prima kunnen functioneren? Onderzoek met zogenaamde fMRI scans bieden antwoorden op deze vragen. 

fMRI

Het maken van fMRI scans is een methode om te onderzoeken wat er in het menselijk brein gebeurt. Met fMRI scans meten we hoe zuurstofrijk en zuurstofarm het bloed is dat door verschillende hersengebieden stroomt. We weten dat hersengebieden die bij het uitvoeren van een taak extra belangrijk zijn ook extra zuurstof nodig hebben om goed te functioneren. Op deze manier fMRI scans dus een beeld van welke hersengebieden actief zijn terwijl een scan genomen wordt.
Daarnaast kunnen we met fMRI scans ook kijken welke hersengebieden tegelijkertijd actief worden. Dit zijn vaak de gebieden die met elkaar communiceren. Gebieden die veel met elkaar communiceren vormen netwerken en zijn samen betrokken bij specifieke taken, zoals het verwerken van sensaties, bewegingen of verschillende cognitieve functies.

Figuur 1: Voorbeeld van een fMRI scan. 

Als we begrijpen willen hoe de hersenen van ouderen en jongeren van elkaar verschillen  kunnen we fMRI scans van beide doelgroepen nemen en met elkaar vergelijken. Uit dit soort onderzoeken is gebleken dat hersennetwerken een aantal belangrijke veranderingen doormaken tijdens het ouder worden [1]. 

Veranderingen in het Default Mode Network

Een van de hersennetwerken die het meest bestudeerd wordt in de context van ouder worden is het Default Mode Network, dat ook wel wordt afgekort tot DMN. U maakt dagelijks vast momenten mee dat u lekker aan het dagdromen bent en uw gedachten de vrije loop laat gaan. In dit soort momenten is het DMN actief. Dat dagdromen gebeurt natuurlijk vaak op momenten waarin we niet met een specifieke taak bezig zijn. Het DMN is dan ook erg actief als mensen in een MRI scanner liggen zonder een bepaalde taak uit te voeren. Vandaar dus ook de engelse naam “default mode”: dit netwerk is een soort standaardinstelling van het brein. Het is dan ook niet verrassend dat de activiteit van dit netwerk onderdrukt is als we niet “niks doen”, dus op momenten waar we wel met een specifieke taak bezig zijn. Het DMN verspreid zich over meerdere hersengebieden. Een deel van het netwerk bevindt zich in de frontale hersenkwab, terwijl andere delen van het netwerk zich in de pariëtale kwab en de hippocampus (een gedeelte van de temporale kwab) bevinden. De fMRI scan van het bovenste plaatje laat de verschillende gebieden zien die deel uitmaken van het netwerk.
Uit onderzoek is gebleken dat naarmate we ouder worden, het aantal connecties in het DMN afneemt. Hierdoor vindt er dus ook minder communicatie binnen het netwerk plaats [2, 3].  Er zijn aanwijzingen dat het minder grote aantal connecties in het netwerk ten gevolg heeft dat het DMN minder goed onderdrukt wordt als dat nodig is, dus in momenten dat we met specifieke taken bezig zijn. Dit kan verklaren waarom ouderen soms meer moeite hebben zich op bepaalde taken te concentreren. Neem bijvoorbeeld de “1-back task”. In deze taak wordt een reeks van getallen aan mensen getoond met de instructie om op een knopje te drukken als het het huidige getal hetzelfde is als het getal ervoor. De taak wordt nog moeilijker in de 2-back versie,  waar men op een knopje moet drukken wanneer het huidige getal hetzelfde is als 2 getallen terug.

Rechts – voorbeeld van een 1-back task, Links – voorbeeld van een 2-back task.

Om goed te presteren op deze taken hebben we niet alleen maar concentratie nodig, maar ook een sterk werkgeheugen. We moeten er namelijk  voor zorgen dat de informatie die we nodig hebben goed in ons hoofd blijft zitten. Over het algemeen presteren ouderen minder goed op deze taken dan jongeren.  Interessant is dat in een onderzoek bleek dat bij het uitvoeren van deze taken, de DMN activiteit van ouderen minder onderdrukt was. Er bleek een samenhang te zijn tussen de communicatie tussen de verschillende gebieden in het DMN, de mate van onderdrukking van het netwerk, en het presteren op de taak. Ouderen met de minste communicatie tussen de DMN gebieden presteerden dus het minst goed op de taken [3]. Dit duidt erop dat de leeftijd gerelateerde veranderingen in het DMN netwerk, mede verantwoordelijk zijn voor de leeftijd gerelateerde achteruitgangen in bepaalde cognitieve functies.

Compensatie

Naast verandering binnen het DMN is gebleken dat de verhoudingen van het DMN tot andere netwerken verandert. Hier heeft ook Linda Geerligs, opzetter van Het Grijze Brein, onderzoek naar gedaan. Waar bij ouderen minder communicatie binnen het DMN plaatsvindt, zien we wel meer communicatie tussen het DMN en andere hersengebieden. Bij jongeren zien we bijvoorbeeld dat het DMN en de zogenaamde “Frontoparietal Control Network” (of kort: FPCN) twee aparte netwerken zijn die met specifieke omstandigheden wel of niet actief zijn. Bij ouderen onstaan er meer verbindingen tussen deze twee netwerken en zijn ze dus minder onafhankelijk van elkaar [2].
Aan de ene kant betekent dit dat hersennetwerken bij ouderen minder goed gespecialiseerd zijn dan bij jongeren: waar bij jongeren één netwerk voor één soort taak verantwoordelijk, is deze scheiding minder duidelijk bij ouderen. 
Echter zijn er aanduidingen dat de toename van communicatie tussen de netwerken ook een compenserende rol zou kunnen spelen. Als de communicatie binnen een netwerk (zoals het DMN) minder goed verloopt, zouden we er baat bij kunnen hebben als andere netwerken soms te hulp schieten. Misschien is dat dus de reden waarom we ondanks het ouder worden toch nog goed kunnen functioneren? Er is zeker nog meer onderzoek nodig om dit definitief te kunnen zeggen, maar fMRI onderzoek kan hierbij een belangrijke rol spelen. 

Bronvermelding Afbeeldingen: 

Figuur 1: Graner, J. (2010). The Default Mode Network (DMN). Geraadpleegd van: https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fneur.2013.00016/full

Relevante Wetenschappelijke Bronnen:

[1] Andrews-Hanna, J. R., Snyder, A. Z., Vincent, J. L., Lustig, C., Head, D., Raichle, M. E., & Buckner, R. L. (2007). Disruption of large-scale brain systems in advanced aging. Neuron, 56(5), 924-935.

[2] Geerligs, L., Renken, R.J., Saliasi,E., Maurits,N.M., Lorist,M.M. (2015). A brain wide study of age-related changes in functional connectivity. Cerebral Cortex 
https://academic.oup.com/cercor/article/25/7/1987/462366

[3] Sambataro, F., Murty, V. P., Callicott, J. H., Tan, H. Y., Das, S., Weinberger, D. R., & Mattay, V. S. (2010). Age-related alterations in default mode network: impact on working memory performance. Neurobiology of aging, 31(5), 839-852.)

Het brein door een vergrootglas

We zijn vorige week onze ontdekkingsreis door het menselijk brein begonnen door naar de verschillende hersengebieden en kwabben te kijken. De grote hersenen, het cerebellum, de hersenstam zijn allemaal grotere hersengebieden, die verschillende soorten functies vervullen. Maar waar bestaan deze hersengebieden uit? En hoe gaan ze te werk? Willen we nog meer over ons brein te weten te komen, dan moeten we er een sterk vergrootglas bij pakken om de hersencellen te zien, die slechts enkele micro-milimeters groot zijn. Ze zijn dan misschien klein, maar de chemische processen die in deze cellen plaats vinden zijn verantwoordelijk voor elke beweging en elke gedachte die we ooit gehad hebben.

Neuronen

Net zoals stenen de fundamentale bouwsteen van een huis zijn, zijn neuronen de fundamentale bouwstenen van ons brein. Hier hebben we namelijk meer dan 80 miljard van, en door deze neuronen is het mogelijk dat de verschillende hersengebieden hun functies uit kunnen voeren.


Figuur 1 (a) Links: Een schematische tekening van een neuron. (1) Dendrieten, (2) Celkern, (3) Axon, (4) Myeline laag, (5) eindknopjes (b) Rechts: Neuronen door een microscoop bekeken

Een enkel neuron bestaat uit drie hoofd-onderdelen. De dendrieten, de celkern en het axon. Via de dendrieten ontvangt een neuron elektrische signalen van andere neuronen, die door het cellicham verwerkt worden en vervolgens via het axon weer doorgegeven worden. Via zogenaamde eindknopjes staat elk neuron namelijk weer in verbinding met de dendrieten van andere neuronen. In ons brein zijn er bepaalde gebieden waar zich vooral de dendrieten en cellichamen van neuronen bevinden. Dit gebied wordt ook wel grijze stof genoemd. De grijze stof van ons brein onderscheidt zich van de zogenaamde witte stof, waar vooral axonen bij elkaar komen. Het kleurverschil tussen deze gebieden is te verklaren door de witte myeline laag die om de axonen zit. Deze vettige stof zorgt ervoor dat de axonen extra snel informatie kunnen doorgeven.
Als neuronen met elkaar communiceren, gebeurt dat niet door een directe verbinding tussen de eindknopjes en de dendrieten, maar doormiddel van neurotransmitters die vrij komen ineen synapsspleet. Neurotransmitter reizen door de synapsspleet van de eindknopjes van de gevende neuron naar de dendrieten van de ontvangende neuron en veroorzaken vervolgens een elektrische reactie in het ontvangende neuron. De activiteit van het ontvangende neuron wordt hierdoor afgeremd of juist gestimuleerd. Dit bepaalt of het neuron vervolgens weer neurotransmitters aan andere neuronen doorgeeft of niet. Verschillende neurotransmitters hebben verschillende functies, een bekende transmitter waarvan u wellicht al eerder gehoord heeft, is dopamine. Naast het reguleren van bewegingen en emoties, is deze stof betrokken bij het ervaringen van beloning. Kent u het geluksgevoel als uw plotseling een €5 briefje op straat vindt, of u onverwachts een complimentje van iemand krijgt? In momenten dat er iets gebeurt dat beter is dan verwacht, stroomt er extra veel dopamine door uw brein!
Andere belangrijke neurotransmitters zijn bijvoorbeeld norepinephrine, waardoor we extra alert voelen of glutamaat, dat bij het ophalen van herinneringen en bij leren een grote rol speelt.

Neuronale Circuits

In de jaren 60 was nog een stuk minder over het brein bekend dan tegenwoordig. Een theorie die toen nog populair was, is die van de “grootmoeder cel”. Neurowetenschappers gingen ervan uit dat elke specifieke taak of concept werd gerepresenteerd in een aantal specialistisch neuronen in ons brein. Ze gingen dus ook ervan uit dat er een neuron bestaat dat alleen maar actief zal zijn als we aan onze grootmoeder denken of haar stem of gezicht herkennen.
Inmiddels weten we dat dit allemaal niet zo simpel in elkaar zit. Voor het herkennen van een gezicht, plant of kleur, is niet slechts een neuron maar een heel circuit van neuronen verantwoordelijk. Ook bij het ophalen van herinneringen, het voelen van emoties of het uitvoeren van simpele taken, zijn er telkens verschillende netwerken van neuronen die met elkaar samenwerken en de verschillende sensaties en processen tot stand brengen.
Een manier om meer over neuronale circuits uit te vinden is door te bestuderen hoe ons brein gedurende ons leven verandert. Door zogenaamde neuroplasticiteit, is ons brein namelijk in staat zich constant aan te passen en afhankelijk van onze ervaringen nieuwe connecties tussen neuronen aan te maken of bestaande connecties sterker te maken. Dit is ook wat gebeurt als we een nieuwe vaardigheid leren, zoals het bespelen van een instrument.
Verschillende studies volgden kinderen die wel- of niet een instrument leerden spelen en vergleken hoe hun hersenen zich met de jaren ontwikkelden. Hier bleek dat de kinderen die wel een instrument spelden vooral in hun motor cortex en temporaal kwab veel nieuwe neuronale connecties aanmaakten. Als u de vorige blogpost goed onthouden hebt, zult u dit niet heel verrassend vinden. Immers hebben we de motor cortex nodig om fijne bewegingen uit te oefenen, een vaardigheid die zeker niet mag ontbreken bij het bespelen van piano of gitaar. In de temporale kwab zit het gebied dat geluiden verwerkt en herkent, dus ook een cruciaal onderdeel voor muzikanten. Naast het verhoogde aantal connecties in deze twee gebieden, bleek ook dat er meer connecties tussen de gebieden waren ontstaan. Dit is dus een mooi voorbeeld van hoe neurale circuits over meerdere hersengebieden kunnen lopen, als we complexe taken uitvoeren waar verschillende soorten informatie met elkaar geïntegreerd worden.  

Illustratieverantwoording:

Figuur 1 a): Gebaseerd op Rougier, N. (2007). Biological neuron schema van https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Neuron-figure-notext.svg

Figuur 1 b): MethoxyRoxy (2005). Golgi stained pyramidal neuron in the hippocampus of an epileptic patient. 40 times magnification van
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Pyramidal_hippocampal_neuron_40x.jpg

Relevante Wetenschappelijke Bronnen:

Kolb, B., Whishaw, I.Q., Campbell Teskey, G. (2016). An Introduction to Brain and Behavior. 5th edition. Worth Publishers.

Wan, C. Y., & Schlaug, G. (2010). Music making as a tool for promoting brain plasticity across the life span. The Neuroscientist, 16(5), 566-577.

“Om de geest te begrijpen moet men het brein begrijpen”

“Om de geest te begrijpen moet men het brein begrijpen”, heeft neurofilosoof Patricia Churchland ooit gezegd.

In de vorige blogposts hebben we gekeken hoe onze geest, ons gedrag en onze levensinstelling veranderen met het ouder worden. Echter hebben we nog helemaal niet gekeken naar welke rol ons brein speelt in deze veranderingen. Als we Patricia Churchland geloven, lijkt het echter cruciaal om hier wat meer aandacht aan te besteden. Onze hersenen zijn immers de bron van ons karakter, onze gedachten en onze manier van doen. Voordat we erin gaan duiken hoe ons brein verandert met  leeftijd, gaan we eerst proberen te begrijpen hoe dit complexe maar wonderbaarlijke orgaan in elkaar zit.

De grote hersenen – cerebrum

Als we aan het brein denken, dan zien we vaak een rimpelige, walnoot-achtige vorm voor ons. Echter maakt deze rimpelige structuur slechts een deel van ons gehele brein uit. Dit gedeelte wordt ook wel de grote hersenen of het cerebrum genoemd. Het rimpelige uiterlijk ontstaat doordat de bovenste laag van de hersenen, die ook wel cortex of hersenschors genoemd wordt, sterk gevouwen is. Door alles windingen en groeven in de hersenschors, is er extra veel plek voor de milliarden neuronen die hier met elkaar communiceren. En deze neuronen hebben we hard nodig in de grote hersenen, want dit is het gebied van het brein dat we voor de meest complexe taken nodig hebben.
Sommige groeven in de hersenschors zijn groter dan andere en vormen zo de “grenzen” tussen 4 verschillende kwabben die we kunnen onderscheiden in onze grote hersenen. Al bij redelijk simpele taken, zoals het oppakken van een beker of een gesprekje met de buurman werken deze kwabben nauw met elkaar samen. Elke kwab heeft hierbij een verschillende functie.

Figuur 1: Schets van ons brein 1), 2), 3) 4) vormen samen het cerebrum, waarbij 1) = frontale kwab, 2) = pariëtale kwab,
3) = occipitale kwab, 4) = temporale kwab, 5) is het cerebellum en 6) de hersenstam

Frontaalkwab – We beginnen met de froontalkwab (of ook wel voorhoofdskwab), die in het plaatje blauw ingetekend is. Als we de mens met een machine vergelijken dan kunnen we de frontaalkwab als de afstandsbediening van deze machine zien. Vanuit deze kwab worden namelijk belangrijke executerende functies geregeld. Denk hierbij aan het maken van keuzes, het oplossen van problemen, het plannen van onze toekomst, het controleren van emoties en de manier waarop we onszelf aan de buitenwereld presenteren. Sommige zeggen dat de frontaalkwab het thuis van onze persoonlijkheid is. Dit verklaart waarom mensen die schade aan de frontaalkwab krijgen, daarna qua gedrag soms onherkenbaar zijn voor hun familie of vrienden. Mensen met een letsel aan de frontaalkwab, hebben soms moeite het controleren van hun impulsen, kunnen heftige stemmingswisselingen krijgen en raken soms hen interesse voor oude hobbies en passies volledig kwijt.
Een ander belangrijk onderdeel van onze frontaalkwab is de motor cortex. De motor cortex hebben we nodig om lichaamelijke bewegingen te plannen en uit te voeren. Van het oppakken van een mok, tot dansen bij een feest of het bespelen van een gitaar: bij al deze bezigheden zal de motor cortex extra actief zijn.  

Pariëtale kwab – Achter de frontaalkwab ligt de pariëtale kwab van ons brein (geel in het plaatje). Deze kwab is onder andere cruciaal voor het verweken van “somatosensorische” informatie. Dat betekent dat in deze kwab lichamelijke sensaties zoals tast, temperatuur en pijn verwerkt worden. Daarnaast hebben we deze kwab nodig voor onze proprioceptie,. Wat is proprioceptie? Doet u eens uw ogen dicht en probeert met uw rechter hand het puntje van uw neus aan te raken. Dat gaat waarschijnlijk best makkelijk, dankzij proprioceptie kunnen we namelijk goed inschatten waar in een ruimte zich ons lichaam en onze lichaamsdelen bevinden. Aangezien in de pariëtale kwab ook visuele informatie binnenkomt, kan de pariëtale kwab deze twee informatie bronnen combineren zodat we door ruimtes kunnen navigeren, zonder constant tegen dingen aan te lopen en zonder ons gevoel voor richting kwijt te raken.  

Occipitale kwab – Honden hebben een uiterst goede neus, vleermuizen hebben een exceptioneel gehoor, en mensen gebruiken vooral hun ogen om de wereld te verkennen. Hiervoor hebben we  onze occipitale kwab nodig (roze in het plaatje). Als we iets met onze ogen waarnemen, zal deze informatie in de occipitale kwab terecht komen waar we niet alleen maar simpele visuele informatie (zoals lijntjes) maar ook complexe informatie (complete objecten) verwerken.

Temporale kwab – De temporale kwab (groen in het plaatje) heeft meerder functies, en een daarvan is het verwerken van geluid. Geluid en taal hangen natuurlijk sterk samen, daarom is het niet heel verrassend dat de temporale kwab ook bij het begrijpen van taal betrokken is. Het zogenaamde gebied van Wernicke is hier extra belangrijk voor. Mensen met een letsel in deze plek kunnen zinnen produceren die grammatisch correct lijken, maar die verder niet betekenisvol zijn.  Naast het verwerken van taal en geluid, is de temporale kwab belangrijk voor ons geheugen. De hippocampus is namelijk deel van de temporale kwab en is betrokken bij het opslaan van herinneringen.

De grote hersenen – twee hemisferen

Naast de verschillende kwabben in de grote hersenen is het belangrijk om onderscheid te maken tussen de rechter- en linker hersenhelften. Deze helften worden ook wel “hemisferen” genoemd. Elke hersenkwab bevat beide hemisferen, en beide hemisferen zijn betrokken bij de functies van elke kwab. Toch zijn er ook verschillen tussen de linker en rechter hersenhelft, doordat ze allebei gespecialiseerd zijn voor verschillende taken. Zo vinden veel taal-processen in de linker hemisfeer plaats, terwijl de rechter hemisfeer meer verantwoordelijk is voor ons ruimtelijk inzicht.
Ten slotte is het interessant om te weten dat de linker hersenhelft de rechter helft van ons lichaam aanstuurt en andersom. Dat betekent dus dat wanneer we onze rechter hand bewegen de linker motor cortex actief is, terwijl als we iets met ons linker oog zien onze rechter occipitale kwab dit zal verwerken.

De Kleine hersenen – Cerebellum

We hadden het al over de grote hersenen, dus het is waarschijnlijk niet heel verrassend dat ons brein ook uit een onderdeel bestaat dat de kleine hersenen (of ook wel het cerebellum) genoemd wordt.
Ook al maakt deze structuur slechts 10% van het hele brein uit, het belang van de kleine hersenen mag niet onderschat worden. Het cerebellum zorgt er namelijk voor dat we constant in balans blijven, zelfs terwijl we wilde of complexe bewegingen met ons lichaam maken. Ook voor andere motoriek-gerelateerde taken is ons cerebellum belangrijk. Terwijl de motor cortex (in de frontale kwab) betrokken is bij het plannen en initiëren van bewegingen, hebben we het cerebellum nodig om deze bewegingen precies en accuraat uit te voeren. Iemand met schade in het cerebellum kan dan wel nog met zijn vinger een lijn van links naar rechts trekken, maar deze lijn zal waarschijnlijk niet recht en vloeiend verlopen.
Ook bij het leren van bewegingen is het cerebellum cruciaal. Stel bijvoorbeeld u wilt een sport zoals tennis leren. Het zal dan even duren totdat u door heeft hoe u de tennisbal met u racket kunt raken, maar door te oefenen zal u hier steeds beter in worden. Ook dit hebben we aan het cerebellum te danken.

De hersenstam

Terwijl u dit artikel aan het lezen was heeft u waarschijnlijk niet waargenomen welke processen allemaal in uw lichaam plaatsgevonden hebben. Uw hartslag is constant gebleven, u heeft geen moeite hoeven doen om uw ademhaling te reguleren en uw lichaamstemperatuur is constant gebleven. 
Bij al deze processen was uw hersenstam betrokken. Dit gedeelte van ons brein reguleert dus verschillende basis-functies van ons lichaam die simpel lijken maar wel essentieel zijn voor ons overleven. Daarnaast verbindt onze hersenstam het rest van ons brein met het ruggenmerg. Vanuit het ruggenmerg lopen er verschillende zenuwbanen naar de rest van ons lichaam. Sommige zenuwbanen hebben we nodig om te kunnen voelen: dit zijn dus banen die van ons lichaam naar de hersenen gaan, zodat de hersenen de sensorische informatie kunnen verwerken. Andere zenuwbanen zijn ervoor verantwoordelijk bewegingen in gang te zetten. Deze banen gaan dus van de hersenen, waar de beweging gepland wordt, naar de rest van ons lichaam. Beide soorten informatie zullen dus vanuit verschillende richtingen onze hersenstam en ons ruggenmerg passeren.

Illustratieverantwoording:

Figuur 1: Gebaseerd op Gray, H. (1918). ‘Principal fissures and lobes of the cerebrum viewed laterally’. Gray’s Anatomy, Figuur 728.

Meer Informatie:

Kolb, B., Whishaw, I.Q., Campbell Teskey, G. (2016). An Introduction to Brain and Behavior. 5th edition. Worth Publishers.

Over Stereotypes en Verwachtingen

In de vorige blogpost hadden we het er al over: verwachtingen rondom het ouder worden en met name de negatieve stereotypes over het oud zijn. Al in 2008 bleek uit een onderzoek van de Volkskrant en van de UvA dat veel Nederlanders een onterecht pessimistisch beeld hebben over het ouder worden. Veel mensen verwachten dat we met de leeftijd eenzamer worden, we naar onze jeugd terugverlangen en dat we fysiek een stuk minder fit zijn.

Uit hetzelfde onderzoek bleek dat veel van deze verwachtingen onterecht zijn en dat het allemaal wel meevalt met onze fysieke en mentale gesteldheid wanneer we oud zijn. Waar komen onze stereotypes dan vandaan? En zijn de negatieven vooroordelen over het ouder worden onschuldig als ze toch niet waar blijken te zijn? Daar gaan we in deze blogpost naar kijken.

Stereotypes in de media

De media is zo’n vast onderdeel van ons dagelijks leven, dat we er soms niet bij stil staan hoe veel invloed TV, tijdschriften, series, en reclames op ons doen en denken hebben. De manier waarop de media ons beeld over ouderdom beïnvloed is hierop geen uitzondering.

Denk bijvoorbeeld aan films. Hoe veel films kunt u bedanken waar een jong persoon de hoofdpersonage speelt? En hoe veel films kunt u bedenken waar het verhaal juist om een ouder persoon draait? Terwijl het aantal ouderen in de maatschappij over de jaren toegenomen is, zijn ze nauwelijks op TV te zien. De meeste actiefilms, romantische comedies of thrillers draaien allemaal om jonge, dynamische personen, die in de bloei van hen leven zitten. Als ouderen wel een keer een rol in een film spelen, worden ze niet vaak in een positief licht gezet.

Dan krijgen we ouderen te zien, die alleen maar binnen zitten en mopperen dat vroeger alles beter was. Zo ook in de populaire animatiefilm “Up”. De hoofdpersoon in deze film is Carl, een ongelukkig ouder persoon, de alleen maar naar vroeger terug verlangt en nogal eigenwijs en mopperig is. Ook al worden deze stereotypes gedurende de film aan de kant gezet, zijn ze toch representatief voor het typische beeld van ouderen op TV.

Scene uit de animatie film "Up".
Scène uit de animatie film “Up”. Hoofdpersonage Carl Fredricksen tijdens zijn ochtendroutine.

Ook in andere vormen van massamedia krijgen we zelden de positieve aspecten van ouderdom te zien. De UvA deed onderzoek naar de manier waarop ouderen in nieuwsartikelen vertegenwoordigd worden. Hieruit bleek, dat wanneer er een krantartikel over ouderdom verschijnt het meestal over de daarmee geassocieerde mentale of fysieke achteruitgang gaat. Positieve aspecten, zoals dat het geluk met het ouderdom vaak toeneemt, of ouderen over meer emotionele intelligentie dan jongeren bezitten, worden nauwelijks benoemd.

Met alle negativiteit om ons heen, is het niet verrassend dat we met een vrij pessimistisch beeld over het oud worden opgroeien. Helaas worden veel van de stereotypes geinternaliseerd: als we een keer tot een oudere leeftijdsgroep horen, zijn we geneigd om te denken dat de stereotypes van onze jeugd nu ook op ons toepassen.  

Self-fulfilling prophecies

Het internaliseren van stereotypes is niet alleen schadelijk voor ons zelfvertrouwen, maar kan ook tot self-fulfilling prophecies leiden. Denk bijvoorbeeld aan iemand die verwacht met de leeftijd minder fit te zijn en die daarom niet meer gemotiveerd is om naar de sportschool te gaan. Het is niet gek als die persoon door dit gedrag minder fit zal zijn dan eerst. Niet de leeftijd, maar de verwachtingen (en het daardoor resulterende gebrek aan moeite) hebben dus aan het uitkomen van de voorspelling bijgedragen.

Het fenomeen van self-fulfilling prophecies zoals deze, werd ook in het lab bestudeerd. Dit gebeurde al in 1995 onder leiding van de Amerikaanse onderzoekster Becca Levy. Levy liet ouderen meerdere geheugentaken voltooien. Voorafgaand deze taken werden proefpersonen met verschillende woorden “geprimed”. Priming is een methode waarbij we bepaalde stimuli maar voor enkele mili-seconden te zien krijgen, zodat ons brein deze stimuli slechts onderbewust waarneemt. In het geval van Levy, werden dus woorden getoond die op negatieve of positieve stereotypes van ouderdom inspeelden. Bij negatieve woorden kunt u denken aan begrippen zoals “seniel” of “afhankelijk”, terwijl positieve primes juist uit woorden zoals “wijs” bestonden. 

Uit het onderzoek bleek dat de ouderen met negatieve primes slechter op geheugentaken presteerden, dan diegene die positieve primes te zien kregen. Het lijkt er dus op dat woorden zoals “seniel” het negatieve zelfbeeld van ouderen naar voren haalde. Als gevolg van een self-fulfilling prophecy leide dit tot minder goede prestaties op een taak, die ze anders wel prima hadden kunnen uitvoeren.

Dit effect is later bevestigd door veel andere studies die laten ook zien dat ouderen minder goed presteren op taken wanneer ze denken aan de stereotypes over ‘oud zijn’.

Positief denken

Zoals uit bovenstaand onderzoek al duidelijk werd, kunnen verwachtingen ons leven niet alleen maar negatief maar ook positief beïnvloeden. Immers presteerden de ouderen mensen die positieve primes te zien kregen wel goed op de geheugentaak.

Een hoop ander onderzoek heeft aangetoond dat er veel kracht in positief denken zit. Enigszins verbazingwekkend is dat dit ook voor onze fysieke gezondheid het geval is. Nederlandse onderzoekers volgden 15 jaar lang mannen tussen de 64-84 jaar uit Zutphen. Om de 5 jaar werden deze mannen gevraagd aan te geven hoe tevreden ze over hen huidige levenssituatie waren en hoe optimistisch hen beeld van de toekomst was.

Gedurende deze 15 jaar werd ook hen cardiovasculaire gezondheid gemeten. En wat bleek? Mannen met positieve verwachtingen over de toekomst hadden lagere kans op hart- en vaatziekten en zelfs een kleinere kans om aan dit soort ziektes te overlijden. Dit was het geval ongeacht de socio-economische status van de mannen en het feit of ze tot een risicogroep voor deze ziektes behoorden.

Al met al kan een positief zelfbeeld tijdens op onze oude dag dus erg goed voor onze fysieke en mentale gesteldheid zijn. Hopelijk zal de massamedia in toekomst hier meer op inspelen en de vele negatieve stereotypes over ouderen eindelijk aan de kant zetten. Dan zullen we vaker dit soort gelukkige ouderen op tv zien:

Meer informatie:

Stereotypes over ouderdom:

Bergsma, A. (2008, 08 Maart). Nederlanders zien ouderdom te zwart in. De Volkskrant, van https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nederlanders-zien-ouderdom-te-zwart-in~b3b05496/

Herrman, M., & Nilsson, L. A. (2015). Attitudes to Ageing and Elderly Care: Film Stories as Mirror or Creator of Norms. International Journal of Humanities Social Sciences and Education, 2, 55-66.

Kroon, A. C., Trilling, D., Van Selm, M., & Vliegenthart, R. (2019). Biased media? How news content influences age discrimination claims. European journal of ageing, 16(1), 109-119.

Vasil, L., & Wass, H. (1993). Portrayal of the elderly in the media: A literature review and implications for educational gerontologists. Educational Gerontology: An International Quarterly, 19(1), 71-85.

Self-fulfilling prophecies:

Levy, B. (1996). Improving memory in old age through implicit self-stereotyping. Journal of personality and social psychology, 71(6), 1092.

Lamont RA, Swift HJ, Abrams D. A review and meta-analysis of age-based stereotype threat: Negative stereotypes, not facts, do the damage. Psychology and Aging. 2015;30:180–193.

Giltay, E. J., Kamphuis, M. H., Kalmijn, S., Zitman, F. G., & Kromhout, D. (2006). Dispositional optimism and the risk of cardiovascular death: the Zutphen Elderly Study. Archives of internal medicine, 166(4), 431-436.


Intelligentie en Oud Worden – Een Kwestie van Definitie


“Iedereen wil oud worden, maar niemand wil het zijn”. Een bekende spreuk die de angsten weerspiegelt die veel mensen hebben over het “oud zijn”. We denken dat we vergeetachtiger worden en minder snel kunnen leren. Ondanks deze negatieve associaties, wordt ouderdom ook met meer verstand en intellect gerelateerd. “Oud en wijs” zijn twee woorden die vaak hand in hand gaan. Het is dan niet voor niets dat binnen bedrijven en andere instanties hoge posities vaak door oudere mensen worden bekleed. Ze nemen namelijk niet alleen meer ervaring, maar ook meer wereldkennis en emotionele intelligentie met zich mee. 

Er bestaat dus veel tegenstrijdigheid in ons idee van ‘oud zijn’. Het is alsof we tegelijkertijd een stap voor- en achteruit zetten. Maar wat betekend veroudering uit een meer wetenschappelijk perspectief? Wat maakt het dat we met de leeftijd in sommige taken slechter maar in andere taken beter worden? Om onderscheid tussen de verschillende taken te maken gaan we het over twee soorten intelligentie hebben.  

Fluïde Intelligentie

Kijk eens naar het onderstaande plaatje en probeer te zeggen welke van de figuurtjes (a-e) het rijtje voortzet.


Figuur 1: Het goede antwoord op deze vraag is d). Het groene vierkantje springt met de klok mee van een hoekpunt naar het andere. Het paarse rondje zet bij elk nieuw figuur een stap tegen de klok in.

Deze vraag test uw vermogen om abstract te redeneren. In de figuurtjes moet u een patroon herkennen en vervolgens visualiseren hoe dit patroon in het nieuwe figuur voortgezet wordt. Voor het beantwoorden van deze vraag is het belangrijk om abstract te kunnen redeneren en daarvoor is een bepaalde soort intelligentie nodig, die ook wel fluïde intelligentie genoemd wordt. Fluïde intelligentie heeft niets te maken met hoeveel kennis u over een bepaald domein heeft, maar gaat erover hoe flexibel u met onbekende opdrachten zoals deze omgaat.

Uit onderzoek is gebleken dat fluïde intelligentie tot met het 20ste levensjaar stijgt en op dit tijdpunt dus ook een piek bereikt. Daarna neemt fluïde intelligentie geleidelijk af, wat verklaart dat oudere mensen over het algemeen minder goed zijn in dit soort taken. Ook andere taken waar fluïde intelligentie voor nodig is, zoals het leren van strategische spellen, zijn voor oudereren lastiger dan voor jonge mensen. Maar dit is slechts één kant van de medaille en er is een andere soort intelligentie die een grote rol speelt in hoe mensen functioneren in het dagelijks leven.

Uitgekristalliseerde Intelligentie

Misschien kent u nog wel het televisie-programma “1 tegen 100”. Bij dit programma moet een kandidaat het tegen 100 tegenspelers opnemen, door zo veel mogelijk vragen goed te bentwoorden. Een typische vraag die u in dit programma tegen kunt komen is bijvoorbeeld:

Welke Stad ligt hemelsbreed het dichtst bij Amsterdam?

A Marbella, Spanje                           B Tunis, Tunesië                C Marrakech, Marokko

Natuurlijk gaan de vragen niet alleen maar over geographie, maar ook over andere domeinen zoals geschiedenis, biologie of gezondheid. Om het in het programma goed te doen, hebben deelnemers dus vooral wereldkennis nodig en moeten ze veel feiten kennen en toepassen. Dit soort intelligentie wordt ook wel uitgekristallisserde intelligentie genoemd. In tegenstelling tot fluïde intelligentie, neemt uitgekristaliseerde intelligentie toe door de  ervaringen die we opdoen. Uiteraard is deze kennis niet alleen handig voor quiz-shows, maar ook voor allerlei andere taken die we regelmatig in het dagelijks leven tegenkomen. Denk bijvoorbeeld aan koken, klussen, geldzaken regelen, maar ook het omgaan met mensen of emoties.

Over het algemeen, bezitten oudere mensen meer uitgekristalliseerde intelligentie, wat misschien best logisch is. Tenslotte krijgen we naarmate we ouder worden meer kansen om nieuwe kennis op te doen, zij het door de opleidingen en het werk dat we doen, het lezen van boeken, kijken van films/documentaires of door meer gesprekken met verschillende soort mensen. In het lab wordt uitgekristaliseerde kennis vaak gemeten door de woordenschat van proefpersonen te testen. Dan moet iemand bijvoorbeeld het beste synoniem van een woord uit een lijst van meerdere mogelijkheden kiezen. In dit soort taken presteren ouderen dus beter dan jongeren.

“Verschuiving” van intelligentie

Omdat fluïde intelligentie met leeftijd afneemt, maar uitgekristaliseerde intelligentie juist stijgt, praten wetenschappers over een shift in intelligence (“verschuiving van intelligentie”) als we ouder worden. En eigenlijk is het best fijn dat er zo een shift bestaat. Denk bijvoorbeeld aan het hedendagse werkleven. Als een 20 jarige aan een nieuw baantje begint is het handig om met een frisse blik naar problemen te kijken en deze snel op te lossen. Immers zijn vele problemen die iemand op jonge leeftijd tegenkomt nieuwe problemen. Anders is het als iemand al meer dan 30 jaar hetzelfde werk doet; dan komt het juist van pas om goed gebruik te maken van de bestaande kennis en niet telkens het wiel opnieuw uit te vinden.Om dus terug te gaan naar het begin: ja, met oudere leeftijd gaan sommige taken wat moeizamer dan toen we jong waren. Maar laten we vooral niet de twee woorden “oud” “en wijs” vergeten die zeker bij elkaar horen.

Meer informatie

Wilt u meer leren over verschillende sorten intelligentie en hoe deze met de leeftijd ontwikkelen? Neem dan een kijkje op:
Cherry, K. (2019, December 07). Fluid vs. Crystallized Intelligence [Blog Post]. Geraadpleegd op 06 januari 2020, van https://www.verywellmind.com/fluid-intelligence-vs-crystallized-intelligence-2795004

Relevante Wetenschappelijke bronnen:
Horn, J. L., & Cattell, R. B. (1967). Age differences in fluid and crystallized intelligence. Acta
psychologica
, 26, 107-129.
Park, D. C., Polk, T. A., Mikels, J. A., Taylor, S. F., Marshuetz, C. (2001). Cerebral aging: Integration of brain and behavioral models of cognitive function. Dialogues in Clinical Neuroscience, 3, 151–165.
Park, D. C., Reuter-Lorenz, P. (2009). The adaptive brain: Aging and neurocognitive scaffolding. Annual Review of Psychology, 60, 173–196.
Spreng, R.N., Turner, G.R. (2019). The shifting architecture of cognition and brain function in older adulthood. Perspectives on Psychological Science,14(4), 523-542